werken
Autisme in de maatschappij

Inleiding

Voor autisten is het vaak moeilijk om aan werk te komen. Hiervoor zijn tijdens verscheidene oorzaken voor. De oorzaken en de problemen die zich voor ons met betrekking tot werk voordoen, zijn als volgt in te delen:

A. Werk vinden:

    1. Het tonen van ambitie
    2. Weten waarvoor je wordt aangenomen
    3. Begeleiding
    4. Inschatting van je capaciteiten
    5. Telewerken
    6. Sollicitatie gesprekken

B. Werk kunnen houden & de omgang met mogelijke problemen op het werk:

    1. Te eerlijk zijn
    2. Omgaan met ongeschreven regels en procedures en het tonen van respect
    3. Onderbrekingen van routine
    4. Werken in een drukke omgeving
    5. Gezichtsblindheid en kledingvoorschriften
    6. Problemen met oogcontact
    7. Zelfdiscipline en discipline van buitenaf

 

A. Werk vinden

1. Het tonen van ambitie

Het is vaak moeilijk om in een dynamische maatschappij te functioneren als je van orde en regelmaat houdt en er bovendien ook nog van houdt eerst en vooral goed werk te verrichten. Daarnaast wordt er vaak enige ambitie van je verlangd.
Er was zelfs eens een autist die zijn werk prima deed, maar die alsnog ontslagen werd. Zijn chef vond namelijk dat hij geen ambitie toonde.
De autist in kwestie had het namelijk prima naar zijn zin in zijn toenmalige arbeidspositie en zag niets in een hogere positie.


2. Weten waarvoor je bent aangenomen

Vaak worden mensen aangenomen waarna hun taken worden toegeschoven waarvoor zij aanvankelijk niet waren aangenomen. Als je hierop niet bent voorbereid, dan kan dit voor problemen zorgen.

Met autisten is het vaak zo dat hun capaciteiten op de werkvloer worden overschat als hun autisme niet opvalt. Ze worden dan behandeld als gewone mensen met standaard capaciteiten. Daardoor kun je verantwoordelijkheden toegeschoven krijgen die je niet (goed) aankan en waarvan je niet weet hoe je daarmee om moet gaan.
Je kunt je in een situatie bevinden waarin je teveel verantwoordelijkheid toegeschreven krijgt door je afdelingshoofd. Dat kunnen zaken zijn die je niet goed kunt plaatsen, maar waarvan zijn afdelingshoofd denkt dat je het wel aankan.
Dat kan doorgaan van kwaad tot erger.

Het beste is om dan met het afdelingshoofd te gaan praten. Durf je zelf niet zo goed, dan kun je aan een collega vragen of die het misschien voor jou wil doen. Neem dan wel een collega die kan beamen dat jij zo niet goed functioneert.
Daarna zal het afdelingshoofd met jou willen praten. In dat gesprek kun je aangeven dat je behoefte hebt aan iemand om op terug te vallen.


3. Begeleiding

Wij (hoger functionerende autisten en daaraan verwant) hebben eerder iemand nodig om op terug te vallen, dan begeleiding. Dit wordt vaak verkeerd begrepen door de mensen die ons moeten helpen. Het is dan ňf intensieve begeleiding ňf niets. Er zit maar zelden iets tussenin.
Iemand zoals wij, die ergens nieuw komt te werken en om begeleiding op het werk vraagt, zal met ongeloof worden aangehoord.
Een chef zal snel denken: ‘JIJ begeleiding?’ Het ene gaat goed en het andere wil niet. Maar als je het dan uitgebreid gaat hebben over begeleiding, dan wordt dat gauw overbodig en overdreven gevonden.


4. Inschatting van je capaciteiten

Eén van de zaken waar Pieter1 niet mee overweg bleek te kunnen, was de software op computers. Die was voor hem vaak te ingewikkeld, terwijl zijn collega’s dachten dat hij er zich wel mee kon redden: ‘kijk maar gewoon in de handleiding.’ Helaas… die handleiding bleek erg ondoorzichtig en Pieter kwam er niet uit.
Er moet duidelijk zijn hoeveel initiatief van je wordt verwacht. Het kan zijn dat je van jezelf uit dingen moet doen, waar je helemaal niet op zou komen.
Wij zijn wel goed in het volgen van regels van vooraf geëffende paden. Maar als we helemaal zelf moeten bedenken wat we moeten doen en hoe, dan wordt het problematisch. Je kunt dan gewoon zitten te niksen,  zonder een flauw idee te hebben waar je moet beginnen.
(1 Pieter is een gefingeerde naam)


5. Telewerken
Het kan heel goed zijn dat je het prettigst op je eentje werkt.
Er zijn heel wat autisten die erg verward kunnen raken en onder druk komen te staan als ze in een te drukke omgeving moeten werken. Telewerken zou dan een oplossing kunnen zijn.
Telewerken houdt in, dat je op een zelf gekozen werkplek (bv. thuis in je studeerkamer), PC werk doet, dat je normaal op kantoor doet.

Desondanks voelt lang niet iedereen met autisme (of wat eraan verwant is) er iets voor om te gaan telewerken:
"De hele tijd eenzaam en alleen achter een computer en niemand om mee te overleggen? Nee dat lijkt me echt helemaal niks!"
Deze zin geeft aan dat er bij mensen met autisme ruwweg twee groepen bestaan:
Er zijn er die veel alleen zijn, maar zich daar zelden of vrijwel nooit eenzaam door voelen;
Daartegenover bestaan er ook personen die alleen zijn wel degelijk ervaren als eenzaamheid.

Naast het probleem van eenzaamheid, is er nog een tweede probleem met telewerken:
Telewerken hoeft geen probleem op zichzelf te zijn. Er speelt echter wel een ander probleem mee: zelfdiscipline.
Wat dat betreft val je als autist tussen wal en schip: aan de ene kant is het moeilijk om mensen om je heen te hebben tijdens het werk. Aan de andere kant heb je toch mensen nodig om jou weer op gang te helpen.
TIP: Kom eerst op gang op de afdeling, waar je collega’s bij zijn. Als je eenmaal op gang bent, kun je je af gaan zonderen en solitair je werk gaan doen.


6. Sollicitatie gesprekken
Of je met succes een sollicitatie gesprek doorloopt hangt van een aantal factoren af:
- Of je al ervaring of training in sollicitatie gesprekken hebt;
- Je lichaamshouding
- Je mentaliteit
- Je uitstraling
- Je uiterlijk (kleding, of je gewassen bent, netjes gekamd e.d.)

Er is een  voorbeeld van een autist bekend die zijn sollicitatiegesprek niet goed doorliep, ondanks het feit dat hij aan de meeste van bovenstaande eisen voldeed.
Bij deze persoon was het zo dat degene die het gesprek afnam, hem een nogal vreemd type vond, die waarschijnlijk niet in de groep paste. Maar hij kon niet vertellen waarom hij dat vond.

Het is interessant dat mensen die een sollicitatiegesprek afnemen, op hun intuďtie afgaan en een autist er zň uitpikken, zonder zich daarvan bewust te zijn.
Dat kan komen doordat tijdens een sollicitatiegesprek bepaalde verwachtingen gelden volgens een bepaald patroon. Autisten  wijken daar vanaf.

Veel autisten hebben een onvermogen meerdere dingen tegelijk te kunnen. Gevolg: niet op al die zaken tegelijk kunnen letten tijdens een sollicitatie gesprek. Tegelijkertijd een gesprek voeren en lichaamshouding en andere zaken in de gaten houden kunnen erg lastig zijn.

Er bestaan overigens veel boeken over hoe je het beste een sollicitatiegesprek kunt voorbereiden en doen.
TELEAC heeft een cursus op video, waarin je niet alleen wordt verteld waar je rekening mee moet houden. Er wordt ook een voorbeeldfilmpje getoond dat laat zien hoe je NIET moet solliciteren.


B. Werk houden/ Omgaan met problemen op het werk

1. Te eerlijk zijn
Autisten hebben moeite om met onwaarheden te vertellen.
Aan de ene kant wordt dergelijke eerlijkheid gewaardeerd. Daartegenover staat dat deze eerlijkheid vaak vreemd wordt gevonden.
Aan de hand van de volgende voorbeelden, op basis van het werken in een computerzaak, wordt dit nader uitgelegd:

Voorbeeld 1:
Het kan voor een autist moeilijk zijn op wat al te optimistische wijze klanten voor te houden dat een reparatieduur slechts 2 dagen zal duren. Terwijl dat best 4 dagen kunnen zijn. Deze wijze van klantmanipulatie wordt in de hand gewerkt door een hoge werk –en tijdsdruk. Klanten lijken dit ook haast te verwachten.

Voorbeeld 2:
Af en toe mankeert er nog wat meer aan een machine dan datgene wat de klant zelf had opgemerkt. Een autist kan dan zo eerlijk zijn om die klant daarop attent te maken. Als reactie krijgt hij dan: ‘Oh, nou, maak dat dan ook nog maar even in orde.’
Daar wordt de autist door zijn chef op aangesproken: ‘Dat moet je niet doen, dat kost alleen maar extra tijd (=geld). Bovendien komen klanten nog eens terug als er nog wat anders aan mankeert.’

Dit is een heel subtiel gebeuren: het is voor een autist heel moeilijk te bepalen wanneer je eerlijk moet zijn en wanneer niet.
Het lijkt je wellicht vreselijk dat je van hogerhand krijgt opgelegd om je werk niet goed te doen.
Hier speelt ook een tegenstrijdigheid: enerzijds een enorme roep om service, anderzijds de beperking tot alleen bepaalde klusjes uitvoeren.


2. Omgaan met ongeschreven regels en procedures en tonen van respect
Op je werk wordt er gewoonlijk van je verlangd dat je je houdt aan een aantal ongeschreven regels, zoals:

  1. Je doet mee met de conversaties met de rest van het personeel in de pauzes
  2. Eigen werkmethodes worden vaak niet op prijs gesteld

a. Meedoen met de rest van het personeel tijdens de pauzes
Misschien ben je je tijdens pauzes op school, of tijdens je werk je wel eens bewust geworden van een vreemde gewaarwording:
Mensen storen zich er aan als je tijdens de pauzes niets zegt.
Als iedereen meepraat tijdens de pauzes, waarover dat ook gaat, en jij doet niet mee, dan wordt dit als storend ervaren.
Als je je van de rest van de groep (klas of werkploeg) afzondert, dan wordt dit al helemaal niet gepikt.
Degenen die tijdens de pauze dan wel samen pauzeren beoordelen dit als: ‘Hij voelt zich te goed voor ons en daarom gaat hij alleen zitten."

Met andere woorden: niet meedoen wordt ervaren als gebrek aan respect tonen en soms zelfs als een teken van regelrechte verwaandheid.Dit gevaar zo te worden beoordeeld loopt een autist ook, als die liever op zichzelf blijft.Een extra moeilijkheid is dat onervaren autisten deze situatie niet van tevoren niet aan zien komen en vaak tot de ontdekking ervan komen als het al te laat is.

b. Eigen werkmethoden worden vaak niet op prijs gesteld
Vaak wordt gezegd in een bedrijf: ‘Zoals jij werkt, doen wij dat hier niet.’
Ze verlangen van je dat je op dezelfde manier werkt als je collega’s, ook al is dat nergens officieel vastgelegd.
Het werken op een andere manier dan je is voorgedaan, kan het idee geven dat je geen respect toont voor andermans zienswijze en ervaring.
Overigens heeft dit verder niets te maken met laag in de pikorde staan.
Het probleem is namelijk wel degelijk op te lossen, mits je goed in staat bent met anderen te overleggen.

Een veelgebruikt trucje om je eigen methoden te verdedigen is deze:

Je kunt beter niet direct ergens tegenin gaan als je het er niet mee eens bent. Daarmee gooi je alleen olie op het vuur bij degene die kritiek op je heeft.Je kunt veel beter tegen die ander zeggen waar je het wel mee eens bent en waarom je het er met hem over eens bent. Daarna pas som je je eigen argumenten op. Blijf ook vooral rustig, wind je niet meteen op als je kritiek krijgt. Veel autisten vatten kritiek namelijk nogal eens persoonlijk op, terwijl die kritiek vaak niet zo bedoeld is. Wees daar bedacht op.


3. Onderbrekingen van routine

Veel mensen met autisme hechten erg aan regelmaat en voorspelbaarheid.

Zo kun je je bij onderbreking van je routine heel opgelaten voelen. Dan wordt je onrustig en zenuwachtig, omdat je niet weet wat er gaat gebeuren. Daar kun je tegenop zien. Als je eenmaal routine hebt, dan weet je ook hoe het moet.
Een beetje variatie mag best, zolang het maar niet teveel is.


4. Werken in een drukke omgeving
In een lawaaiige omgeving werken, zoals een werkplek met veel collega’s kan problemen opleveren:

  • De concentratie wordt er aanmerkelijk door verzwakt.
  • Autisten die overgevoelig zijn voor harde geluiden, worden komen erg onder druk te staan.
  • Autisten hebben moeite onderscheid te maken tussen verschillende signalen van buitenaf. Dit probleem is ook bekend van feestjes: mensen niet kunnen verstaan, doordat hun stem niet/ slecht uit de achtergrondgeluiden gefilterd kan worden door een communicatie stoornis in de hersenen.

5. Gezichtsblindheid en kledingvoorschriften

Gezichtsblindheid (propagnosia) levert problemen op bij het onderscheiden van mensen met dezelfde kleding, kapsel, geslacht, leeftijd en dergelijke meest opvallende uiterlijke kenmerken. Het is inmiddels algemeen vastgesteld dat veel mensen met Asperger Syndroom propognosia hebben.

Een autist die in Amerika op een school zat waar schooluniformen gedragen werden, vertelde eens dat hij er helemaal gek van werd. Hij wist namelijk nooit wie wie was.

Anderen hebben er moeite mee om mensen van hun werk te herkennen als zij hen in een andere omgeving tegenkomen. Bijvoorbeeld als wanneer zij hen in de stad tegenkomen.

Het kan zijn dat je altijd lange tijd nodig had om gezichten je klasgenoten van elkaar te onderscheiden. Dit laatste is niet hetzelfde als Propagnosia.


6. Problemen met oogcontact

In de dierenwereld betekent het hebben van oogcontact vaak gevaar. Alsof het ene dier tegen het andere zegt: "Ik ga jou aanvallen", of: "Ik waarschuw je!"
Bij mensen is die oerfunctie veranderd in een sociale behoefte.

Veel autisten echter, mijden oogcontact. Bij hen heerst blijkbaar nog steeds die oerangst voor oogcontact. Als iemand geen oogcontact maakt, terwijl een ander tegen hem praat, kan dat voor die andere de volgende vragen opwerpen:
"Luistert hij nou eigenlijk wel naar wat ik zeg? Interesseert het hem soms niet?"
De meeste autisten kijken dan met de ogen neergeslagen. Een enkeling wil echter ook wel eens naar boven "wegkijken". Dit kan bijzonder storend overkomen:
"Hij kijkt mij niet eens aan, hij voelt zich te goed voor mij!"

Deze problemen zijn te verhelpen door de ander af en toe aan te kijken en hoofdknikken te geven op momenten waarop je de ander begrijpt. Op die manier stel je de ander gerust.


7. Zelfdiscipline en discipline van buitenaf

7a. Zelfdiscipline
Een hoop mensen met autisme hebben problemen hun tijd in te delen en hun werk te structureren. Om ergens aan te beginnen, eraan toe te komen.
Je kunt bijvoorbeeld moeite hebben met zelfdiscipline als je even iets aparts moet verrichten dat van het routinematige werk afwijkt. Stel dat je collega’s altijd bezig zijn, wanneer jij ergens voor aan wil kloppen waar hij/zij zelf niet uit komt. Dan kan het gebeuren dat je het het dan alsmaar weer uitstelt.

7b. Discipline van buitenaf
Volgens je eigen routines werken kan voor jou makkelijker zijn, dan werken volgens andermans routines. Wellicht zou je het liefst zelf je werktempo en werkwijze bepalen.

Toch hoeft het echter geen probleem te zijn om volgens onder druk van andermans discipline te werken.
Zolang ze het maar goed uitleggen is het makkelijker te doen.

Er zijn veel autisten die moeite hadden met de discipline die hen op school werd opgelegd:
Voorbeeld 1:
"Ik had er veel moeite mee op school, ik heb de MAVO nčt gehaald. Toen ging ik op een andere school, maar daar ben ik snel mee gestopt."
Voorbeeld 2:
"Toen ik 15 jaar was, kon ik de plotselinge versnelling in de HAVO niet goed aan. Toen heb ik met veel moeite de MAVO nog gehaald. Daarna ben ik een vervolgstudie gaan doen, maar daar ben ik snel mee gestopt.
Ik was trouwens eenzijdig begaafd in schoolvakken. Of ik haalde in vakken dikke voldoendes, of er waren vakken met altijd dikke onvoldoendes (2en en 3en)."
Voorbeeld 3:
"Ik heb datzelfde probleem met plotselinge versnelling van werktempo gehad in HAVO 5. Toen besloot de school om in de overgang van het eerste naar het tweede semester het tempo ineens een stuk hoger te zetten. Dat kon ik niet bijbenen, noch kon ik me snel genoeg aan de nieuwe situatie aanpassen. In de helft van HAVO 5 ben ik gestopt en pakte daarna een vervolgopleiding op."

Tot slot een aantal feiten:

Een meerderheid van mensen met autisme in Nederland:
  • Kan zichzelf niet financieel onderhouden. Zij zijn afhankelijk van een instelling, uitkering en/of hun ouders.
  • Bevindt zich in een moeilijke positie op de arbeidsmarkt.
  • Heeft moeite om een behoorlijke boterham te verdienen.
  • Heeft een WAJONG uitkering.

Daarnaast vinden sommigen dat zij werk onder hun eigen prestatie niveau verrichten.
Ook zijn er personen die al langdurig (2 jaar of langer) zonder werk zitten.

auteur: Ivo Kremer voor AutSider 2000